skip to Main Content
Niet ingelogd, log in bij account.

Kennis of wijsheid 7

30.0040.00

Wat is een wijze heerser?

  • Docent(en): Alexander Roose, Bart Dessein
  • Jaar: themajaar
  • Datum: 20 maart 2027
30.00
40.00
1 aanmelding
Category:

Description

Voormiddag (Bart Dessein): De goede heerser

De Chinese filosofie kent haar oorsprong in de periode van de Chinese geschiedenis die als de Lente-Herfst Periode (722–481 v.Chr.) en de Periode van de Strijdende Staten (435–221 v.Chr.) bekend geworden is. In deze periode trokken geleerden van feodaal hof naar feodaal hof om aan de feodale heren advies te geven over hoe de politieke chaos tot een einde gebracht zou kunnen worden. Dit betekent meteen ook dat Chinese filosofie in de politieke realiteit verankerd zit. De verschillende politiek-filosofische adviezen uit deze tijd werden in de Han-dynastie (206 v.Chr.–220 n.Chr.) gecategoriseerd in de zogenaamde ‘negen scholen’. De meest bekende daarvan zijn het confucianisme, legalisme en taoïsme. Elk van deze filosofieën had haar eigen opvatting – haar eigen waarheid – over wat een goed bestuur was. In deze themales worden deze verschillende opvattingen besproken, en wordt ingegaan op het actuele belang van deze opvattingen.

 

Namiddag (Alexander Roose): “En de wind (wijzer dan wij) verlangt niet naar bestendigheid “. Michel de Montaignes (1533-1592) bescheiden wijsheidsidee

In de “Apologie van Raymond Sebond” (Essays, II, 12) onderstreept Montaigne hoe broos het menselijke weten is. En een hoofdstuk over politiek (III, 1) begint hij met een bedenking over de krukkige menselijke natuur: “Ons wezen hangt aaneen van ziekelijke eigenschappen. De eerzucht, jaloezie, nijd, wraakzucht, bijgelovigheid en wanhoop huizen met zo’n natuurlijk bezitsrecht in ons, dat er ook bij de dieren iets valt waar te nemen dat daarop lijkt; en zelfs een tegennatuurlijke ondeugd als de wreedheid”. Mensen moeten dan ook leren omgaan met die menselijke gebreken: wetten, traditie, en nederigheid helpen om deugdzamer te leven.

Inzicht in de geschiedenis, filosofie leren de mens wat deugdzaamheid is, maar deugdzaamheid volstaat niet in het politieke bedrijf: “Zo zijn er ook in iedere staatsinrichting onontbeerlijke ambten en diensten die niet alleen verachtelijk maar ook misdadig zijn” (III,1). Hoe moet een politicus met noodzakelijke misdaden omgaan? Hoe verenig je het “nuttige”, het politiek noodzakelijke, en het “eervolle”, het goede? Het eerste wat je moet doen, is erkennen wat politiek is, begrijpen waar politiek om draait. Dialogerend met Machiavelli, verwoordt Montaigne omzichtig zijn afwegingen over algemeen belang (III, 1), over gratuite wreedheid (II, 11), over ware beschaving (I, 31).

Voor wie politiek wil bedrijven, formuleert Montaigne concrete richtlijnen. Elk politicus wil, als mens, een rechtschapen leven leiden. In het hoofdstuk over opvoeding (I, 26), maakt Montaigne duidelijk hoe men aan een jonge vorst – dat hoofdstukje is ook een vorstenspiegel –, aan een toekomstige gentleman, aan ieder kind moet leren om zich de vier antieke deugden (Cicero) eigen te maken. Van die deugden is voor de politicus gerechtigheid de belangrijkste (III, 10). Gerechtigheid komt, bij een politicus, vaak met vrijgevigheid. Maar, tweede regel, vrijgevigheid mag nooit mateloos zijn: een goede vorst besteedt zijn geld aan “havens, havensteden, versterkingen, (…) ziekenhuizen, scholen en aan de verbetering van straten en wegen” (III, 6). Derde regel: als politicus erkent Montaigne het onderscheid tussen zijn ambt en zijn persoon (III, 10). Dit principe van actieve onpersoonlijkheid past hij ook toe op zijn politieke of religieuze opvattingen: Montaigne wil niet “blind zijn voor de prijzenswaardige eigenschappen eigen zijn tegenstanders” of voor de laakbare daden van zijn medestanders (III, 10). Ego, hartstocht, en politiek haal je beter uit elkaar.

Co Authors :

Back To Top